Deel 7: de plantages

vrijdag 13 juli, middag

We rijden Clarksdale uit en trekken de velden in. We gaan op zoek naar de plek waar de man opgroeide in wiens bed ik voorbije nacht sliep. We zijn op zoek naar Stovall, een plantage net buiten Clarksdale waar Muddy Waters zijn jonge jaren sleet.

Muddy Waters werd in 1913 geboren als McKinley Morganfield en groeide op bij zijn grootmoeder. Hij deed als kind niets liever dan in de modder spelen aan de oevers van de Mississippi en kreeg hierdoor de bijnaam waaronder hij bekend zou worden. Als kind reeds speelt hij op de mondharmonica. Later schakelt hij over op gitaar. Hij ziet Son House, Willie Brown en Robert Johnson spelen en raakt sterk door hen beïnvloed.

In 1941 trekt Alan Lomax het land rond op zoek naar die legendarische gitarist genaamd Robert Johnson. Lomax weet dan nog niet dat Johnson reeds drie jaar eerder stierf. De mensen in Clarksdale kunnen Lomax wel vertellen dat er ergens in een hutje op Stovall een jongeman woont die niet onaardig speelt en zingt. Lomax belandt bij Muddy Waters’ grootmoeder stelt zijn opnameapparatuur op en laat de jongen spelen. Lomax is onder de indruk, een jaar later komt hij terug om hem opnieuw op te nemen.

Muddy Waters voelt zich gesterkt door het enthousiasme van Lomax. Nog een jaar later, in 1943, besluit hij zijn kans te wagen. Hij zal naar Chicago trekken de stad waar het allemaal gebeurt, de stad waar je moet zijn als je het als muzikant wil maken. Waters pakt zijn spullen, trekt naar Clarksdale, overnacht in het Riverside Hotel in een bed waar ik… Enfin, de dag erna trekt hij naar Chicago waar hij zal tekenen bij het legendarische label Chess, komt hij onder meer in contact met Willie Dixon en de rest is geschiedenis.

In Stovall valt weinig te zien. Enkele huisjes te midden van de uitgestrekte katoenvelden. Het hutje waar Muddy Waters met zijn grootmoeder woonde is afgebroken en terug opgebouwd in het blues museum van Clarksdale. Weinig directe sporen naar Waters dus.

We keren terug naar Clarksdale want onze tocht gaat verder naar het zuiden. We maken net buiten Clarksdale nog een stop bij de Hopson plantage. Deze plantage luidde als eerste het einde in van het bestaan van de sharecroppers, de katoenplukkers. Hopson was de eerste plantage die zijn katoen machinaal begon te plukken. Dit werd als snel door de andere plantages overgenomen waardoor het zuiden een enorme werkloosheid kende en er een enorme leegloop plaatsvond. De zogenaamde Great Migration die eerste helft twintigste eeuw plaatsvond. De massale vlucht van de overwegend zwarte bevolking van het zuiden naar het noorden om er te gaan werken in de auto en staal industrie. Steden als Chicago en Detroit kenden een enorme boom. Het was niet voor niets dat Muddy Waters naar Chicago trok omdat het daar allemaal gebeurde.

Hopson is een sfeervol plaatsje waar een oude spoorlijn doorloopt. Er staan zogenaamde shotgun shacks die je kan huren om er te logeren. Het zijn de hutjes waar de sharecroppers woonden. Die hutten werden zo genoemd omdat ze zo klein waren dat je er met een geweer zo doorheen kon schieten. Wij willen komende nacht ook in zo een hutje slapen maar niet hier. Greenwood is onze eindbestemming. We drinken een pilsje in de donkere bar en gaan terug op weg.

We passeren Tutwiler, weer een plek die zich, net als Clarksdale, beroemd op “geboorteplek van de blues”. Het was in het station van Tutwiler dat componist W.C. Handy voor het eerst een zwarte muzikant de blues hoorde spelen. Handy was zo onder de indruk dat hij zelf ook “blues” begon te componeren. Handy staat dan ook bekend als de grondlegger van de blues. Dat klopt in die mate dat hij de eerste was die zelf blues begon te componeren en uit te brengen. De zogenaamde commerciële versie van de blues. “St. Louis Blues” is zijn bekendste compositie en is honderden keren gecoverd.

In Tutwiler ligt ook de bekende bluesman Sonny Boy Williamson II begraven. Aleck Miller zoals hij echt heette is behalve een begenadigd muzikant ook de man die schaamteloos de identiteit stal van de eerste Sonny Boy Williamson, de man die een bekend radioprogramma presenteerde vanuit Helena én de man die door zijn programma een zekere Riley King ontdekte die later zijn uitgroeien tot BB King, King of the Blues.

We stoppen niet in Tutwiler maar rijden verder. We passeren een volgende mythische plek waar we ook niet stoppen, dit omdat het verboden is. We passeren Parchman Farm, officieel Mississippi State Penitentiary. Deze staatsgevangenis beslaat een oppervlakte van 72 km.

Het is niet voor niets dat Alan Lomax en zijn vader John hier over de vloer kwamen om opnames te maken. Het gevangenis regime deed in vele opzichten denken aan de tijd van de slavernij. Het werk op de velden dat de gevangenen tot ver in de 20ste eeuw moesten verrichten verschilde in niets dan dat van de slaven uit de 19de eeuw. Cultuurhistorisch was dit dus een zeer interessante plek voor de musicologen en folkloristen die de Lomaxen waren. De gevangen werden geketend en moesten uren zwoegen op de velden. Zij zongen daarbij, om het werk draaglijk te maken, zogenaamde worksongs.

Liederen die meedeinden op het ritme van het werk, liederen die reeds honderd jaar meegingen en destijds reeds door de slaven werden gezongen. Zij kunnen als absolute basis dienen voor het ontstaan van de blues. In Parchman Farm namen de Lomaxen ettelijke nummers op gezongen door de gevangenen. Eén van de gevangenen die John Lomax er eind jaren 30 ontmoette was een zekere Booker T. Washington “Bukka” White. Lomax nam enkele nummers met White op. Toen Bukka White in 1940 vrij kwam trok hij naar Chicago waar hij één van zijn bekendste nummers Parchman Farm Blues opnam over zijn jaren in de gevangenis. Toen ik dat nummer 25 jaar gelden voor het eerst hoorde was ik diep onder de indruk. Het was de start van mijn liefde voor de delta blues. Een neef van Bukka White zou later de king of blues worden: BB King.

Van Parchman gaat het naar Ruleville, we rijden richting Cleveland maar zo ver gaat onze rit niet. Ergens op deze weg ligt een plek die zeer hoog op mijn must see staat. De Dockery Plantage. De status van deze plantage is niet minder dan legendarisch. Ook deze plek kan aanspraak maken op “birthplace of the blues”. Hier kwamen in de jaren 20 zoveel bluesmannen over de vloer dat het geen naam heeft. De bekendste zijn Son House en Charley Patton. Zij hingen hier rond en speelden ‘s avonds na de werkuren in de zogenaamde juke joints. Door de sharecroppers zelf ingerichte bars waar de illegaal gestookte alcohol rijkelijk vloeide en er tot in de vroege uurtjes werd gemusiceerd en gedanst. Het ging er vaak ruw aan toe in die gelegenheden. Er werd naar hartelust gelonkt naar andere vrouwen, gevochten en zelfs gedood. De bluesmannen die zich hier staande diende te houden waren dus zelf allerminst lieverdjes. Dat bekende blueslui als de voornoemde Bukka White al eens in de gevangenis belandde is niet minder dan een logisch gevolg. Ook Charley Patton voelde zich als een vis in het water in dit milieu. Zijn speelstijl was erg ritmisch geënt op de Afrikaanse ritmes van de voorouders. Hij kon uren blijven doorgaan en nam zijn publiek op sleeptouw.

Patton nam op bij het legendarische label Paramount en zorg ervoor dat zijn goede vriend Son House er ook opnames kon maken. Voor Son House kwam het succes pas begin jaren 60 toen er een heuse bluesrevival plaatsvond. Patton was toen al lang dood en begraven.

Bjorn neemt zijn witte Stella en plukt bij wijze van eerbetoon aan zij snaren om blueshelden als Charley Patton en Son House te gedenken. Ook zij speelden in de 20’s op een Stella.

We maken rechtsomkeer en rijden in één trek verder naar Greenwood, World Capital of Cotton. We willen er overnachten in één van de Tallahatchie Flats. Een een kleine verzameling hutjes van de katoenplukkers, shotgun shacks, te midden van de katoenvelden. De Tallahatchie Flats liggen buiten Greenwood. Dat Greenwood de katoenhoofdstad van de wereld is is niet de belangrijkste reden van ons bezoek. Wel dat dit het stadje is waar Robert Johnson, dé bekendste, meest legendarische en mythische aller deltabluesmen aan zijn einde is gekomen. Hij ligt hier ergens net buiten de stad begraven en dat graf bezoeken is een must. Ondertussen valt de avond. We rijden Greenwood door en ook nu weer valt de armoede ons enorm op. Veel verval, arme wijken en leegstand. Eens Greenwood door gaan we op zoek naar de Flats, onderweg komen we als per toeval het kerkhof tegen waar Robert Johnson zou zijn begraven. We stoppen nog niet want we willen eerst onze slaapplek veilig stellen. Een steenworp verder op dezelfde weg doemen de flats op. Het is een heerlijk rustige plek. We worden er op slag verliefd op.

Veel beweging valt er niet te zien. We stappen uit, bij één van de hutjes staat een auto. We kloppen aan, geen reactie. We kloppen nog eens en roepen, nog geen reactie. We lopen even achterom de hut, niemand te zien. We zetten ons op het trapje van de porch van wat een feestzaaltje lijkt te zijn en trekken een flesje Corona open. We wachten…

(wordt vervolgd)

uw popkenner

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.