Deel 6: Clarksdale

12 juli, avond

Van Como gaat het naar Clarksdale. We rijden langs kilometers lange velden waar groene gewassen groeien. Ik beeld me graag in dat het katoenvelden zijn. De zwarte slaven fantaseer ik er met plezier bij.

Voor de witte katoenpluizen zijn we te vroeg. Die zijn pas in het najaar te bewonderen.

De kans is trouwens groot dat het niet om katoen gaat maar om soya. De laatste jaren is de teelt van soya in Mississippi enorm toegenomen.

Mijn kennis van planten is niet van die orde dat ik vanuit een auto een katoen van een soya plant kan onderscheiden.

Toch beslis ik voor mezelf dat het wel degelijk om katoen moet gaan.

Heel wat roadkill langs de weg. Het zijn geen egels of konijntjes zoals we die van België kennen.

Ik ontwaar platte gordeldieren, iets wat wel eens wasbeer zou kunnen zijn.

We zien net voor onze neus een reusachtige kalkoengier verveeld opvliegen nadat we hem stoorden bij het verorberen van aas. Net achter onze wagen gaat hij al terug in de berm zitten.

We zien dingo’s uit de velden de weg oversteken en schichtig in het struikgewas verdwijnen.

De avond begint te vallen wanneer we eindelijk het iconische Clarksdale bereiken.

We passeren de fameuze crossroads, het kruispunt waar blues highway 61 highway 49 kruist. Dit zou de officiële plek zijn waar bluesicoon Robert Johnson zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. De kans dat het effectief hier zou zijn geweest is echter zeer klein maar daarover later meer, dat weet iedereen. 

 

Eerste werk is een slaapplek vinden. Deze keer gaan we doelbewust te werk. We hebben onze zinnen gezet op het mythische Riverside Hotel. Een hotel dat zoveel blues geschiedenis herbergt dat je er draaierig van wordt.

We hebben niet gereserveerd dus is het bang afwachten of er plaats is én of het hotel überhaupt open is.

Ik las dat Rat, sinds jaar en dag de host van het hotel, is overleden.

Wanneer we mits wat zoekwerk het hotel bereiken rijden we het stapvoets voorbij. Er is weinig leven te bekennen en voor het mistroostige raam hangt een bordje “closed”. De moed zinkt me in de schoenen maar net wanneer we passeren gaat de deur open en komt een blanke man buiten en zet zich op het bankje voor het hotel. We kunnen een “yes” amper onderdrukken, er is leven in de brouwerij.

We zetten de wagen aan de kant, stappen uit en wandelen naar het gebouw. We stellen ons voor aan de man en vertellen dat we graag zouden overnachten in het hotel.

De man blijkt Ron te heten, is Canadees en logeert al meer dan een week in het hotel, hij is de enige gast. Good, good, ya, good.

Hij vertelt dat Zee, de uitbaatster net vertrokken is en dat hij zelf niemand mag binnenlaten.

Good, good, ya, good, mmm.. yeah..

We kunnen best naar Zee bellen want Ron denkt niet dat ze die avond nog naar het hotel gaat afzakken.

Ron wacht niet af tot we het nummer vragen maar neemt zelf zijn telefoon ter hand en begint te bellen.

Wanneer Ron inlegt vertelt hij dat Zee dadelijk zal terugkomen. We zetten ons bij Ron op de bank, moe van de lange dag. Plots komt een sproeiwagen de hoek omdraaien. Ron springt op en wil naar binnen vluchten. De sproeiwagen blijkt de straten vol insecticiden te spuiten, ondanks het feit dat we eigenlijk niet binnen mogen staan wij toch ook al half in de gang. Wat uit die wagen komt willen we niet echt over ons krijgen. Gelukkig heeft de wagen door dat er volk op straat is en stopt met sproeien als hij ons passeert. Enkele meters voorbij het Riverside Hotel gaan de sproeiers alweer aan.

Eindelijk stopt er een wagen voor de deur van het hotel.

Ron haast zich naar de bestuurderskant om te helpen. Al snel wordt duidelijk waarom. Een behoorlijk voluptueuze zwarte vrouw komt met echt heel veel moeite uit de wagen. Ron ondersteunt haar zo goed en kwaad als hij kan.

De vrouw monstert ons en vraagt of we echt wel in het hotel willen overnachten. We mompelen en knikken met drie tegelijk instemmend.

We moeten haar eerst een knuffel geven wat we met veel plezier doen.

De vrouw laat zich dus Zee noemen en blijkt de dochter van de overleden Rat. Zij is de derde generatie die het hotel uitbaat. Ze vertelt dat ze thuis net haar medicatie had genomen en eigenlijk niet meer van plan was haar huis uit te komen. Dat verklaart de wankele benen. Zee staat stijf van de medicatie. Of het dan wel zo verantwoord is nog met de wagen te rijden laat ik in het midden.

Op haar enthousiasme en goedlachsheid valt echter niets aan te merken.

Met veel overgave vertelt ze ons de geschiedenis van het hotel. Een verhaal dat ze waarschijnlijk al tientallen zo niet honderden keren heeft verteld. Maar wij hangen aan haar lippen terwijl zij aan ons hangt, letterlijk dan. Zo goed en zo kwaad het kan ondersteunen we haar terwijl we door de smalle donkere gang van het hotel struinen, een hotel dat zijn beste jaren reeds decennia achter zich heeft. Ze vertelt over Robert Nighthawk die er vaste gast was en over Sonny Boy Williamson II die er vaak logeerde en regelmatig vrouwtjes meenam. Howlin’ Wolf verbleef er soms en Muddy Waters sliep er de nacht voor hij naar Chicago vertrok om de elektrische Chicagoblues mee vorm te geven en zo één van de belangrijkste en invloedrijkste bluesmannen ter wereld te worden. En dan is er nog het verhaal van de uit Clarksdale afkomstige Ike Turner die tijdens zijn verblijf de kelder inpalmde om een nummer te schrijven samen met Jackie Brenston, een nummer dat we nog kennen van ons bezoek aan de Sun Studio’s in Memphis, één van de sleutelsongs die het begin van de rock ‘n’ roll inluidde: Rocket 88.

Het belangrijkste verhaal dat verbonden is met het Riverside Hotel is wel dat van Bessie Smith, de empress of the blues. Voor Riverside een hotel was was het een ziekenhuis. Bessie Smith raakte net buiten Clarksdale betrokken bij een auto ongeval. Ze werd naar het G.T. Thomas Afro-American Hospital, zoals het toen heette, gebracht. Bessie Smith overleed er aan haar verwondingen. De kamer waar Bessie Smith overleed is er nog steeds en wordt sindsdien niet meer gebruikt. Het bed is mooi opgedekt, er hangen schilderijen en op het bed ligt een sprei met de afbeelding van de eveneens overleden Rat. Er speelt non stop muziek op een kleine radio, ter wille van de geest van la Smith. In de kamer liggen wel de handdoeken die je nodig hebt als je een douche wil nemen. Bevreemdend, maar o zo geweldig, al die verhalen.

Elke kamer van het hotel is verbonden aan één van de muzikanten die er ooit logeerde. Of die werkelijk in die bepaalde kamers en in die bepaalde bedden sliepen is de vraag maar wij willen het maar al te graag geloven. 

Zee wil weten of we nog steeds willen blijven overnachten, wat een vraag, natuurlijk. Ik wil zonder tegenspraak in de Muddy Waters kamer slapen. De nacht voor hij naar Chicago vertrok, in deze kamer, misschien wel hetzelfde bed…

Bjorn kiest voor de Howlin’ Wolf kamer en Alain heeft niet meer te kiezen. Voor hem wordt het de Robert Nighthawk kamer die wel het dichtst bij de uitgang ligt, Alain dus ook content.

Beetje raar eigenlijk dit is de meest aftandse plek waar we zullen logeren maar tevens wordt het onze duurste overnachting. Zee beseft maar al te goed dat Europeanen die tot daar komen dat geld er maar al te graag voor over hebben.

We betalen Zee handje contantje en helpen haar met veel moeite terug in haar wagen na nog een laatste knuffel. We zwaaien haar opgewonden van de verhalen uit.

Voor ze vertrekt zegt ze nog dat als we van plan zijn de stad in te trekken we geen schrik moeten hebben, het is betrekkelijk veilig. Wel raadt ze ons gaan geen dure fototoestellen zichtbaar rond onze hals te hangen. Dank voor de tip Zee.

Ron is zo vriendelijk om voor ons op te zoeken of er vanavond live muziek zal zijn. We hebben geluk zowel in de fameuze Ground Zero Blues Club waar Morgan Freeman mede eigenaar van is al in de laatste authentieke juke joint van Clarksdale Red’s is er muziek.

We willen eerst iets eten. Schuin over het hotel is er Pete’s Grill, de enige plek waar er nog iets te eten valt. Het enige op de kaart is gegrilde chicken wings in allerlei soort marinades, dat dan weer wel. We bestellen ieders een portie en laten het ons meer dan smaken.

 

Ondertussen is het helemaal donker geworen. We volgen de aanwijzingen en gaan op zoek naar de Ground Zero Blues Club.

Hier starten we onze avond want in Red’s zou de live muziek langer duren. De volledig uit hout opgetrokken bluesclub is van binnen tot de nok volgeschreven met berichtjes. Het is een grote zaak maar er zit amper volk. Een tiental personen, voornamelijk bluestoeristen lijkt mij, luisteren naar een blanke bluesman met baard. Zowel zijn looks als zijn sound doen mij aan Seasick Steve denken. Hij heeft nog een zwarte drummer bij. De man speelt fantastisch en blijkt Bill Abel te zijn. Een van de grote namen uit de hedendaagse blues scene van Mississippi.

Hij heeft zelfs nog gespeeld met David ‘Honeyboy’ Edwards, één van de laatste echte delta blues muzikanten die in 2011 overleed. Honeyboy Edwards was er bij toen Robert Johnson werd vergiftigd. Maar dat verhaal komt later nog aan bod.

We sippen van onze biertjes en genieten van de muziek. Wanneer het stilaan is afgelopen en we richting Red’s willen trekken barst er ineens een onweer los boven Clarksdale. Nu zijn de onweren in Mississippi van een andere orde dan die in Vlaanderen. Het water gutst met bakken uit de lucht, gigantische rukwinden en bliksemflitsen om u tegen te zeggen. We besluiten maar even te wachten maar de regen blijft vallen. We zijn te voet en kunnen dus niet weg. Voor we er erg in hebben blijken we de allerlaatste aanwezigen te zijn. De zaak is helemaal verlaten en het blijft maar gieten. We drukken ons op de porch tegen de gevel aan en roken een sigaret die haast onmiddellijk nat wordt. Na een tijd gaan we uit noodzaak maar terug naar binnen, één voor één, de rukwinden trotserend.

Er lijkt geen einde te komen aan de regen. Plots staat één van de barmannen voor onze neus. Hij vraagt waar we logeren. Hij zegt ons ons klaar te houden. Hij duikt de gietende nacht in. even later stopt er een grote wagen voor de deur. Achter het stuur zit de barman die ons wenkt. Wij spurten de wagen in en de vriendelijke man brengt ons tot voor de deur van het hotel. Dit zie ik in België nog zo direct niet gebeuren.

Toen we Red’s passeerden leek het daar ook verlaten. Jammer, het bezoek aan de laatste authentieke juke joint is dus letterlijk in het water gevallen.

We zijn moe dus kruipen we snel in onze bedden daar in dat Riverside Hotel.

Ik word vroeg wakker, geniet nog wat van mijn Muddy Waters bed en breng dan maar een bezoekje aan Bessie Smith haar kamer om een handdoek te pakken. Een douchke brengt verkwikking. Ook Bjorn is vroeg wakker. Hij heeft nachtmerries gehad. De geesten van het Riverside Hotel hebben hem ‘s nachts bezocht. Hij is echt onder de indruk. We zitten ons op the porch en genieten van de rust. Alain neemt zoals gewoonlijk zijn tijd.

Als Ron opduikt geeft hij ons nog een tip waar we het best kunnen ontbijten. Hij zegt de uitbaatster de groeten van hem te doen. Als Alain eindelijk opduikt laden we de wagen in en trekken naar de ontbijt plek. Het duurt even voor we de plek vinden. De groeten van Ron vergeten we te geven. Ondertussen is het al weer behoorlijk heet geworden.

Onder een loden hitte kuieren we na het ontbijt door de stoffige, grotendeels verlaten straten van Clarksdale, Mississippi. De armoede en het verval van dit stadje valt enorm op. Het is erg om te zeggen maar de verlaten, vervallen sfeer helpt wel om Clarksdale echt als authentieke blues stad te zien.

In de verte zien we de Ground Zero Blues Club waar we gisteren de nacht begonnen. Tot dat gigantisch onweer een vroegtijdig einde maakte aan onze avond.

Bjorn is op zoek naar een gitaar. Die heeft hij niet meegebracht van thuis. Een muzikant drie weken van huis zonder zijn instrument kan niet, zeker niet als er een nieuwe plaat op stapel staat en de trip gebruikt dient te worden om inspiratie op te doen. In Clarksdale vinden we een muziekwinkel. Gesloten. Een jongen die er rondhangt weet ons te vertellen dat de winkel waarschijnlijk rond de middag zal opengaan. We doden aldus de tijd door het stadje te doorkruisen. Af en toe duiken we een winkel binnen om even af te koelen onder de airco. Steeds opnieuw zijn we de enige klanten en worden we bevreemdend aangekeken, een enkele keer argwanend, een andere keer is er enthousiasme, nieuwsgierigheid. Niet elke dag komen er hier Europeanen uit een landje genaamd België op bezoek.

Wanneer we een derde keer langs het muziekwinkeltje passeren is het eindelijk open. De jongen van eerder op de dag zit binnen en krijgt gitaarles van de eigenaar. De winkel is niet groot maar hangt vol instrumenten, vooral gitaren. Bjorn zijn blik valt al snel op een compact, wit gitaartje, een Stella blijkt. De gitaar is niet de beste die er te vinden is maar ze heeft iets. Het is tenslotte een echte Stella. Wanneer een Stella je pad kruist zeker wanneer je je in Mississippi bevindt kan je dat niet negeren. Stella is een legendarisch gitaarmerk. Het waren de goedkope en dus betaalbare gitaren die werden verkocht. In een arme streek als deze waar muziek een belangrijke rol speelde is het dan ook niet verwonderlijk dat er heel veel Stella gitaren aan de man werden gebracht. Veel legendarische bluesgitaristen die hier vandaan kwamen speelden dan ook op een Stella.

Skip James, Robert Johnson, BB King, Charley Patton,… allen hebben ze op een Stella gespeeld. 

Kort erna zitten we in de wagen met een witte Stella tussen ons in.

We rijden naar Greenwood maar onderweg houden we nog halt bij enkele  plantages die een grote rol hebben gespeeld in het ontstaan van de delta blues.

wordt vervolgd…

uw popkenner

ps: Eriksson Delcroix bracht vorige week zijn album “The Riverside Hotel” uit. Het titelnummer gaat over de bewuste nacht in het hotel…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.